Boekenblog; Atte Jongstra (uit Terwispel)

Gepubliceerd op: 9 oktober 2016 20:27

“Onwetendheid is de bron van alle kwaad!” (Motto uit De tak van Salzburg). De Constantijn Huygensprijs 2016 is toegekend aan romancier, essayist, dichter maar vooral: encyclopedist Atte Jongstra (1956, Terwispel). Een verheugende mededeling. Want Atte Jongstra is een heel fijne auteur, van wie ik graag alles gelezen zou hebben. Er komen echter vaak andere auteurs tussen.

Terwispel!  Dat ligt in de buurt van Juinen, dacht ik, het legendarische dorp van wethouder Tjolk Hekking en burgemeester  Hans van der Vaart, alias Koot en Bie. Een niet-bestaande geboorteplaats opgeven, dat zou goed passen bij Jongstra, want zijn werk zit vol falsificaties en mystificaties. Maar het dorp bestaat echt, ik heb het opgezocht in de bibliotheek en dan is het zo.

Boektitels

De eerste boeken van Jongstra karakteriseren zich door heel rare titels: De psychologie van de zwavel, Cicerone,  en vooral Groente. Boekhandelaren en bibliotheken raken dan in de war. Het leek erop dat Jongstra zijn leven beterde  met heldere titels als Disgenoten  en Hudigers Hooglied.  Maar met Klinkende ikken  en vooral de roman Worst verviel hij in zijn oude fout. Had hij Gerard Reve maar als adviseur gehad, dan was het beter met die boeken afgelopen. Wil Jongstra wel gelezen worden?  Ik hoop van wel, want hoe maf de titels ook zijn, de boeken zijn prachtig, uniek en zeer leesbaar, ondanks dat ik lang niet altijd “begrijp” waar hij naar toe wil. Begrijp ik dat wel, zoals in Disgenoten , of Het huis M., dan vind ik ze nogal conventioneel. Maar ja, dan zal Jongstra me wel een kool hebben gestoofd! 

Dichten over Dichten

Eind jaren ’90 stortte ik mij in Jongstra’s boeken. Ik had de fantastische bloemlezing Dichten over Dichten, samengesteld met de latere Volkskrantrecensent Arjan Peters, uit. Website De Boekensalon omschrijft het prachtig: “Een gemengd boeketje over het copyright, verzonden presentexemplaren en intekening, geplukt uit 19de-eeuwse bundeltjes. Daarna volgen enkele bladzijden met motto's, met voorredes en met opdrachtverzen. Gedichten over het dichterschap, over de plaats waar gedicht wordt, over het schrijfgerei, over motieven en thema's , over inspiratie, over taal, grammatica, rijm, versvoeten en -vormen, over gedichten, over de dichtkunst, over zetters, drukkers, uitgevers, boekverkopers en antiquaren, over het voordragen etc. Dat alles is bijeen gelezen uit een schier onoverzienbare berg dichtbundels, uit almanakken en tijdschriften( ).”Deze opsomming is meteen een karakteristiek van Jongstra: onstelpbaar, onuitputtelijk, origineel. Bij alles wat hij doet dompelt Atte Jongstra zich onder en laat dat allemaal aan zijn lezers weten. Zeker in zijn vroegere werk is het verhaal volslagen ondergeschikt, althans zo beleef ik het. Ik vind dat leuk, want hoezeer ik geniet van romans, op een gegeven moment weet ik het wel, en verlang ik naar iets anders. Dat ik dan niet meteen vat, is een andere zaak. Dat maakt schrijvers als Jongstra, Willem Brakman, Piet Meeuse en Kees ’t Hart zo interessant: ze zijn niet meteen grijpbaar.

Autobiografie

Jongstra kende ik ook uit Vrij Nederland en het NRC, van zijn besprekingen van ramsjboeken. Geen besprekingen van onverkochte romanschrijvers, maar van bijvoorbeeld Petra van Dam’s Vissen in veenmeren. De sluisvisserij op aal( ) 1440-1530. Alweer denk je: zo’n boek bestaat helemaal niet, net zo min als Gymnastiek in het licht der Schrift door Geurt van der Tas. Heerlijke boeken, die door Jongstra voor mij werden gelezen, want zelf begin je er niet aan. Die besprekingen werden in 2002 verzameld in De tak van Salzburg, autobiografie van een lezer, een turf van een boek (450 bladzijden, 326 noten en tien pagina’s literatuurverwijzingen). Onvindbaar in de bibliotheek want geplaatst bij de afdeling 684.9 (Verwerkende industrie; Het boek)  

Het is mijn favoriete Jongstra, en me dierbaarder dan het verzameld werk van menig groot auteur. Een onuitputtelijke bron van vreugde, humor, kennis en volstrekte onzin. Uiteraard lag dit boek na een jaar in de ramsj, waarna Jongstra het zelf had kunnen bespreken (maar helaas niet deed). Na het in de OBA geleend te hebben-het boek was me toen veel te duur-kocht ik het in 2004 bij De Slegte. Een zéér autobiografisch boek, zonder dat ik iets over Jongstra’s persoonlijk leven te weten kom. Zijn afrekening in Worst van zijn leven met een bekende radioliteratuurrecensent, lijkt autobiografischer dan het waarschijnlijk is. Schreef ik al dat Atte Jongstra een meester is in falsificatie? Lees Atte Jongstra, ga op zoek naar vooral De tak van Salzburg, maar laat Groente, Cicerone, Klinkende ikken en De Multatulianen niet aan u voorbijgaan.

Leo Willemse